|
Pagina 2 van 9 Y.G. van der Veen, de initiatiefnemer Ondanks zijn groot zakelijk vernuft, zijn creativiteit en energie wordt Ybele
Geert van der Veen nergens getypeerd als een onomstreden sieraad van de
sociaal-democratie in de jaren twintig en dertig. Hij ontmoette zowel
bewondering om zijn onbetwistbare prestaties alsook gevoelens van frustratie,
zelfs wrok, vanwege zijn intimiderende, bruuskerende manier van optreden jegens
het personeel. Ook buiten het bedrijf toonde hij zich een ongemakkelijke partner
om mee samen te werken. Hij botste met velen. Zijn positie gold echter overal
als onaantastbaar. In 1884 geboren, tot onderwijzer opgeleid in Leeuwarden, werd
Van der Veen in 1927 door J.F. Ankersmit, hoofdredacteur van Het Volk, met
Rotterdam als standplaats aangesteld als redacteur van deze Amsterdamse
sdap-krant. Enkele jaren later al werd hij hoofdredacteur en vervolgens tevens
directeur van het in 1920 opgerichte Rotterdamse sociaal-democratische dagblad
Voorwaarts, waarvan hij een groot persoonlijk succes wist te maken. Vanuit deze
functie keerde Van der Veen in 1928 terug naar Het Volk, nu in Amsterdam, waar
hij 'technisch hoofdredacteur' werd, naast Ankersmit als 'journalistiek
hoofdredacteur'. In Ankersmit's memoires Een halve eeuw journalistiek (Querido,
Amsterdam, 1937) geeft deze hoog op over hun onderlinge verstandhouding, maar
men kan er toch niet aan voorbijgaan dat dezelfde Van der Veen later bij het
partijbestuur heimelijk aandrong op vroegtijdige vervanging van Ankersmit in
verband met 'de verjonging en verfrissing van de leiding van de krant'
(H.Wiedijk, Koos Vorrink, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1986, p. 267). Van der
Veen was toen, 1935, al niet meer zijn naaste collega, want in 1929 was hij
benoemd tot algemeen directeur van de in dat jaar opgerichte n.v. De
Arbeiderspers (waarvan de ontstaansgeschiedenis reeds beknopt beschreven is in
mijn boekje over Het Boek voor de Jeugd, 1999). Alle kranten, drukkerijen,
boekhandels en de uitgeverij die samen de Arbeiderspers waren gaan vormen
stonden nu onder zijn leiding. En terwijl Nederland in de jaren die volgden
geteisterd werd door crisis en werkloosheid, en menig arbeidersgezin met het oog
op dringender levensbehoeften geneigd was af te zien van een abonnement op de
krant, steeg het aantal abonnees van 77.432 in 1929 tot 208.540 in 1939. Het
aantal leden van de sdap nam in dezelfde periode eveneens wel toe, maar lang
niet zo spectaculair: van 54.319 tot 82.145 (De Vrankrijker, p. 249), hetgeen
overigens niet in die mate in de stembusuitslagen tot uiting kwam. Er is geen
twijfel aan dat deze enorme groei van Het Volk vooral te danken was aan Van der
Veen's antwoord op de vraag hoe een voor de beoogde doelgroep leesbare krant er
uit zou moeten zien. Ooit had het sdap-kamerlid Duys het puntig aldus
uitgedrukt: 'Het Volk is geen krant, maar een dagelijks politiek manifest.'
Onder Van der Veen nu werd Het Volk een levendig en toegankelijk blad, ook voor
'de vrouw achter de wastobbe' -zijn graag gebezigde typering- , ruimer gesteld:
een aangelegenheid voor het hele gezin, te vergelijken met de 'formule' die hem
later voor Wij en Het Boek voor de Jeugd voor ogen zou staan. En nu al kwamen er
veel meer foto's in de krant. Herkenbare politieke lading wist hij zodoende te
combineren met zo aantrekkelijk mogelijke inhoud. Om tot dit succes te kunnen
komen was Van der Veen harde organisatorische ingrepen niet uit de weg gegaan.
Naar zijn inzicht was dit onontkoombaar, teneinde van de zelfstandige onderdelen
van voorheen, min of meer dilettantistisch en wars van commercieel denken geleid
door 'partijgenoten-onder-elkaar', een strak bestuurde moderne onderneming te
maken. Er kwam een duidelijker hiërarchie, procedures werden aangescherpt en er
werd onvoorwaardelijke concentratie op het werk geëist. (Uit het 'Reglement van
Orde': 'Er wordt onder het werk slechts gesproken als de arbeid dit nodig
maakt'). Deze vrij drastische verzakelijking weerhield hem er overigens niet van
zich met talrijke details te blijven bezighouden, zoals voortrekkers soms eigen
is. Zucht naar orde, tucht, verdere reglementering en extreme zuinigheid gingen
hem hoe langer hoe meer obsederen. Door zijn zwijgzaamheid, ontoegankelijkheid
en autoritair gedrag isoleerde hij zich van zijn eigen mensen en raakte hij
steeds meer gebiologeerd door het 'apparaat', dat hij vanuit het trotse gebouw
aan het Hekelveld dag en nacht, het laatste letterlijk, in zijn greep probeerde
te houden. Dat moet haast ook wel misgelopen zijn als de oorlog er niet gekomen
was. Maar die kwam wel, ook in Nederland. Van der Veen kreeg in mei 1940 te
maken met mr. M. M. Rost van Tonningen, die door rijkscommissaris Seyss-Inquart
belast was met het toezicht op, onder meer, de Arbeiderspers. Deze
nationaal-socialist veinsde, als lokmiddel, waardering voor het heilzame
ontwikkelingswerk dat de sociaal-democratie had verricht voor de sociale en
culturele verheffing van grote groepen arbeiders en hun gezinnen. Van der Veen
deed vérgaande concessies aan zijn beginselen, teneinde het bedrijf, zijn
levenswerk, te redden. Tevergeefs. Hij zou -zo bleek al spoedig- onderhorig
moeten worden aan een nsb-directeur, die hij noch qua functionele zwaarte noch
qua engagement-met-de-onderneming als zijn meerdere zou kunnen erkennen. Door
het pantser van zijn ogenschijnlijke onaandoenlijkheid heen was hij niet bij
machte deze onverdiende vernedering te verkroppen. En: hij had niets meer om op
terug te vallen, de psychische reserves die elk mens in tijden van hem niet aan
te rekenen beproevingen ter beschikking moet zien te houden, had hij opgeofferd
aan 'zijn' bedrijf. Dit moest het einde zijn. In de 'rode burcht' aan het
Hekelveld benam hij zich op de avond van 20 juli 1940 het leven.
|