|
Pagina 4 van 9 De oplage, 'ups en downs' en nog iets In een 'markt' die men door het reeds aanwezige gevarieerde aanbod
verzadigd zou kunnen veronderstellen, had Wij desondanks een glorieuze start.
'WIJ verovert Nederland!' riep het tweede nummer, 12 februari 1935, reeds
zegevierend uit, en in de derde aflevering heette het: '61.467 abonné's schreef
"Wij" in acht dagen tijd in! Het is een triomftocht geworden, die zich nog
steeds voortzet', en een aantal nummers achtereen werd van inderdaad
spectaculaire stijgingen gewag gemaakt.
'Tien weken "Wij": 86.536 abonné's, een eerste "halte" op de
zegetocht naar de 100.000!' - 'Mei-maand is Wij-maand', probeerde het blad nog
enkele keren, maar daarna werd het stiller, en de ambitieuze doelstelling van
honderdduizend abonnees zou nimmer worden bereikt. Integendeel, al in de tweede
jaargang begon de oplage terug te lopen. Nu haalde Van der Veen alles uit de
kast om te proberen de negatieve trend om te buigen, in de verwachting dat hij
de daarmee gepaard gaande extra investeringen door oplageverhoging zou kunnen
terugverdienen.
Vanaf 3 juli 1936 werd er als wekelijkse bijlage een gratis
kinderblad aan Wij toegevoegd, dat verzorgd werd onder toezicht van niemand
minder dan Theo Thijssen: 'Wij' voor onze meisjes en jongens, later omgedoopt
tot De kleine Wij. De redactie liet zich 'Oom Frans' noemen; na deze oom, die
maar geen echt familielid wilde worden, zorgden achtereenvolgens A. D.
Hildebrand (van Bolke de beer en Valko Vos) en Sj. Schwitters voor dit, in het
midden meegeniete, katern. Ger Sligte, Piet Worm, H. Rotgans, Wim Bijmoer en
anderen maakten de tekeningen.
Van dat kinderblad herinner ik mij niet veel méér dan de eerste
vier regels van een derderangs versje over een voetbalwedstrijd: 'Tribunes lopen
vol, Vlaggen wapp'ren bol In de wind: Het spel begint.' 'Vol'en 'bol' rijmen
niet, vond ik als Gronings jongetje, netzomin als 'bok' en 'hok'. Waarom zouden
die anders beide op Hoogeveen's aap noot mies-leesplankje voorkomen? Overigens
heeft dit kinderblad -dat moge gebleken zijn- geen al te diepe sporen bij mij
achtergelaten. Het bleef tot het einde van Wij toe van het blad een vast
onderdeel, dat wel.
Het tweede 'lokkertje' bestond uit een gratis
ongevallenverzekering, zoals sommige andere weekbladen ook al hadden, sommige
kranten trouwens ook. Wie eveneens op Het Volk was geabonneerd, wat voor vele
Wij-lezers het geval was, kon voor hetzelfde ongeval twee keer aan een uitkering
komen. Geregeld werd er in Wij rapport uitgebracht over de verrichte betalingen,
die varieerden van vierhonderd gulden bij een dodelijk ongeval tot vijf gulden
bij verlies van een lid van een andere vinger dan wijsvinger of duim. Vooral die
vijf gulden kom je in de periodieke overzichten, met naam en toenaam van de
gewezen eigenaar van het betreffende lichaamsdeel, opvallend vaak tegen.
Er zijn wat vingerkootjes van Wij-lezers verloren gegaan in die
tijd. (De allerbehoeftigsten onder de lezers zouden toch niet zelf...? Twee keer
die vijf gulden stond immers al bijna gelijk aan een week 'steun'.) In ieder
geval: de kosten die zodoende op het budget drukten liepen op tot aanzienlijke
bedragen. Hoe kón het allemaal bij een abonnementsprijs van een dubbeltje per
week, vraag je je af. Toch noemde Van der Veen de loterij die hij 28 augustus
1936 in het leven riep: 'Winst-uitkering': vijfhonderdtien abonnees, door loting
bepaald, mochten samen drieduizend gulden verdelen, met coupures variërend van
honderd gulden tot een rijksdaalder. En hij liet strandfoto's maken, en in Wij
publiceren, met witte cirkeltjes om een aantal gezichten, waarmee de aldus
gekenmerkte personen een rijksdaalder konden 'verdienen', - mits ze abonnee
zouden worden.
En verder werden, net als nu bij veel bladen, abonnees die een
nieuwe abonnee wisten te werven uiteraard beloond. Je kon als beloning kiezen
uit een plaquette in gips van het hoofd van Wibaut óf een bonbonstel. Geen van
beide mag je aanmerken als premies die je als werkloze definitief over de brug
konden helpen.
* * *
Nee, dan had je toch wel heel wat meer aan de radiopraatjes van de
echtgenote van de minister-president -zelf miljonair-, die kwam uitleggen dat je
van bloemkoolafval best nog een lekker soepje op tafel kon zetten (Mak, p. 140).
Of aan de van overheidswege verstrekte eenheidskleding voor de kinderen van
werklozen, die aan stigmatisering dachten te ontkomen als hun handige moeders
met naald en draad het stroeve goed 'onherkenbaar' gingen veranderen, onder
aandrang van hun kinderen, die het anders vertikten om het aan te trekken.
Geld ter beschikking stellen om zelf kleren naar eigen keus te
laten kopen, dát kon niet, want dan moest gevreesd worden dat er -stel je voor-
ándere, vast overbodige en misschien wel luxe dingen voor gekocht zouden worden,
bijvoorbeeld boeken. Dat onheil moest verhinderd worden. Over 'het fietsplaatje
met een gat erin' zwijgen we verder maar. Nederland, jaren dertig, crisis,
werkloosheid, 'stempelen', 'steun' ten bedrage van elf tot dertien gulden per
week: 'te weinig om van te leven, te veel om van dood te gaan'. Tenzij je bij
een kerk hoorde, dan had je kans op enige suppletie in geld of in natura, maar
alleen als je eerst, geveinsd of niet, het bijbehorende geloof had omarmd. Of
het daarop gebaseerde verdelingsbeginsel rechtstreeks uit de strekking van de
geloofsleer viel af te leiden, daarvan was niet iedereen overtuigd.
Vele van de honderdduizenden gezinnen die deze toestand, die in
ons land door het regeringsbeleid langer duurde dan elders, ongewild en
onverdiend trof, hebben niet alleen materieel onder deze behandeling te doen
gehad, maar hun maatschappelijk isolement vooral ondergaan als een soort van
verbanning uit de samenleving. Echte honger zal er weinig geleden zijn, al was
het ook zonder fornuis, zonder koelkast, zonder magnetron, zonder (enzovoort),
ja zelfs zonder bonbonstel. Maar voor dat laatste, dáár kon Wij voor zorgen.
|