|
Pagina 6 van 9 De uiterlijke verzorging Behalve de veranderingen die samenhingen met wisselend beleid over de inhoud,
is ook de uiterlijke verschijningsvorm onder de achtereenvolgende redacteuren
niet steeds dezelfde gebleven. De vormgeving van de eerste jaargangen, globaal
aan te duiden als de periode-Mijksenaar, werd gekenmerkt door eigenschappen die
tot dan toe bij de andere geïllustreerde familiebladen in ons land niet in die
mate te zien waren geweest.
Onmiddellijk viel de visuele uitdrukkingskracht op. Deze was vooral gelegen
in de sterke onderlinge verbondenheid van woord en beeld. Van het geijkte
onbelemmerde 'éénrichtingsverkeer' van het zich van-links-naar-rechts
verplaatsende oog was geen sprake, regels of woorden werden soms -zelfs wel in
diapositief- verticaal of diagonaal neergezet en gingen af en toe dwars door de
foto's heen. Ook die stonden niet altijd recht, stukken ervan overlapten elkaar
bovendien en waren nu eens rechthoekig, in vele groottes, dan weer ovaal of
rond. Grote getekende 'koppen' vroegen royale aandacht. Het spreekt vanzelf dat
het totale arrangement van twee tegenover elkaar gelegen pagina's door dit alles
geen harmonische opbouw rond een middenas kon vertonen.
Het werd een a-symmetrische fotocollage met ingebouwde tekst, of omgekeerd:
tekst met daarin geïntegreerde foto's. Ook het wit van het papier dat overbleef
wilde geen functieloze ondergrond zijn, maar maakte deel uit van de 'compositie
in bruin en wit.' Deze 'opmaak' deed denken aan het reclamedrukwerk van Piet
Zwart en Paul Schuitema in die jaren. Hun invloed lijkt aan deze lay-out althans
niet voorbijgegaan te zijn. Het verleende Wij wel iets bevlogens, maar of de
leesbaarheid daar altijd mee gediend was blijft twijfelachtig.
In latere jaargangen, ongeveer de periode-Sluyser, verloor het samenspel van
de onderdelen aan zorgvuldigheid en expressieve kracht. Het werd allemaal wat
rommeliger, ondanks de grotere uniformiteit in de afmetingen van de foto's. Die
laatste lijn in de richting van grotere typografische overzichtelijkheid werd
door Elstrodt doorgetrokken. Er kwam meer ordening, regelmaat, eenvoud. Dat was
goed voor de toegankelijkheid van het blad, maar het nam tevens iets weg van het
suggestieve effect en de 'avontuurlijke' onvoorspelbaarheid van de eerste
jaargangen. Een en ander viel te meer op doordat meer bladzijden dan voorheen
het zonder foto's moesten stellen. Dat was het gevolg van een -op gezag van Van
der Veen gehouden- enquête onder de lezers.
Veel abonnees hadden te kennen gegeven behoefte aan meer 'leesstof' te hebben
en aan die wens werd ruimschoots tegemoetgekomen. Binnen de vaste omvang van
tweeëndertig pagina's moest deze uitbreiding met verhalen en feuilletons
natuurlijk wel ten koste gaan van de ruimte voor het beeld. Juist door de hoge
kwaliteit van de foto's -een enkele keer over de volle breedte van een even en
een oneven bladzijde, prachtige opnames- blonk Wij uit. Het waren dan ook
bepaald geen amateurs die de, speciaal voor hen aan het Hekelveld ingerichte,
Wij-studio bemanden: onder anderen fotografen als Cas Oorthuys en Charles
Breijer, al eerder genoemd, en Sem Presser.
Ook artistiek hoogwaardig werk van de zeer jonge Eva Besnyö kon je, toen al,
in Wij bewonderen. Het is nog steeds een genoegen hun fotoreportages en 'losse'
foto's te bekijken. Dat de meeste jaargangen van Wij in bruin gedrukt werden gaf
hun vakwerk nog meer bijzondere charme. Aan de ontwikkelingsgeschiedenis van de
fotografie in ons land heeft Wij in zijn korte leven zeker eervol bijgedragen.
Foto's van Oorthuys en Breijer, dan mét naamsvermelding, vind je ook nog in de
jaargangen van de oorlogsjaren. Na de oorlog werd er onderzoek gedaan naar de
vraag of dat wel door de beugel had gekund. Het antwoord diende zich spoedig
aan: beiden hadden hun dienstverband bij Wij gecombineerd met fotowerk ten
dienste van het verzet. 'Wat betreft Oorthuys en Breijer was men snel overtuigd
van hun goede houding tijdens de bezetting. Hun werkzaamheden voor de
gelijkgeschakelde pers waren een dekmantel voor hun illegale activiteiten
geweest' (Zweers/ Luyendijk, p. 118).
De vormgeving van Wij's laatste levensfase stond geheel en al in het teken
van steeds verdergaande onttakeling. De oude omvang werd ingekrompen tot
vierentwintig, ten slotte tot zestien bladzijden en al in 1940 werd het royale
formaat van 28.5 cm x 41.5 cm een heel stuk kleiner, waardoor Wij, de inhoud nog
daargelaten, Wij al niet meer was. Het papier kreeg een slechtere kwaliteit, de
letters een kleiner corps. Kortom: van de duidelijk geprofileerde stijl van
voorheen was bij het verschijnen van het laatste nummer op 29 mei 1942 weinig
meer over..
|