Jan de Groot - digitaal
'Wij, ons werk, ons leven' Afdrukken

De uiterlijke verzorging 

Behalve de veranderingen die samenhingen met wisselend beleid over de inhoud, is ook de uiterlijke verschijningsvorm onder de achtereenvolgende redacteuren niet steeds dezelfde gebleven. De vormgeving van de eerste jaargangen, globaal aan te duiden als de periode-Mijksenaar, werd gekenmerkt door eigenschappen die tot dan toe bij de andere geïllustreerde familiebladen in ons land niet in die mate te zien waren geweest.

Onmiddellijk viel de visuele uitdrukkingskracht op. Deze was vooral gelegen in de sterke onderlinge verbondenheid van woord en beeld. Van het geijkte onbelemmerde 'éénrichtingsverkeer' van het zich van-links-naar-rechts verplaatsende oog was geen sprake, regels of woorden werden soms -zelfs wel in diapositief- verticaal of diagonaal neergezet en gingen af en toe dwars door de foto's heen. Ook die stonden niet altijd recht, stukken ervan overlapten elkaar bovendien en waren nu eens rechthoekig, in vele groottes, dan weer ovaal of rond. Grote getekende 'koppen' vroegen royale aandacht. Het spreekt vanzelf dat het totale arrangement van twee tegenover elkaar gelegen pagina's door dit alles geen harmonische opbouw rond een middenas kon vertonen.

Het werd een a-symmetrische fotocollage met ingebouwde tekst, of omgekeerd: tekst met daarin geïntegreerde foto's. Ook het wit van het papier dat overbleef wilde geen functieloze ondergrond zijn, maar maakte deel uit van de 'compositie in bruin en wit.' Deze 'opmaak' deed denken aan het reclamedrukwerk van Piet Zwart en Paul Schuitema in die jaren. Hun invloed lijkt aan deze lay-out althans niet voorbijgegaan te zijn. Het verleende Wij wel iets bevlogens, maar of de leesbaarheid daar altijd mee gediend was blijft twijfelachtig.

In latere jaargangen, ongeveer de periode-Sluyser, verloor het samenspel van de onderdelen aan zorgvuldigheid en expressieve kracht. Het werd allemaal wat rommeliger, ondanks de grotere uniformiteit in de afmetingen van de foto's. Die laatste lijn in de richting van grotere typografische overzichtelijkheid werd door Elstrodt doorgetrokken. Er kwam meer ordening, regelmaat, eenvoud. Dat was goed voor de toegankelijkheid van het blad, maar het nam tevens iets weg van het suggestieve effect en de 'avontuurlijke' onvoorspelbaarheid van de eerste jaargangen. Een en ander viel te meer op doordat meer bladzijden dan voorheen het zonder foto's moesten stellen. Dat was het gevolg van een -op gezag van Van der Veen gehouden- enquête onder de lezers.

Veel abonnees hadden te kennen gegeven behoefte aan meer 'leesstof' te hebben en aan die wens werd ruimschoots tegemoetgekomen. Binnen de vaste omvang van tweeëndertig pagina's moest deze uitbreiding met verhalen en feuilletons natuurlijk wel ten koste gaan van de ruimte voor het beeld. Juist door de hoge kwaliteit van de foto's -een enkele keer over de volle breedte van een even en een oneven bladzijde, prachtige opnames- blonk Wij uit. Het waren dan ook bepaald geen amateurs die de, speciaal voor hen aan het Hekelveld ingerichte, Wij-studio bemanden: onder anderen fotografen als Cas Oorthuys en Charles Breijer, al eerder genoemd, en Sem Presser.

Ook artistiek hoogwaardig werk van de zeer jonge Eva Besnyö kon je, toen al, in Wij bewonderen. Het is nog steeds een genoegen hun fotoreportages en 'losse' foto's te bekijken. Dat de meeste jaargangen van Wij in bruin gedrukt werden gaf hun vakwerk nog meer bijzondere charme. Aan de ontwikkelingsgeschiedenis van de fotografie in ons land heeft Wij in zijn korte leven zeker eervol bijgedragen. Foto's van Oorthuys en Breijer, dan mét naamsvermelding, vind je ook nog in de jaargangen van de oorlogsjaren. Na de oorlog werd er onderzoek gedaan naar de vraag of dat wel door de beugel had gekund. Het antwoord diende zich spoedig aan: beiden hadden hun dienstverband bij Wij gecombineerd met fotowerk ten dienste van het verzet. 'Wat betreft Oorthuys en Breijer was men snel overtuigd van hun goede houding tijdens de bezetting. Hun werkzaamheden voor de gelijkgeschakelde pers waren een dekmantel voor hun illegale activiteiten geweest' (Zweers/ Luyendijk, p. 118).

De vormgeving van Wij's laatste levensfase stond geheel en al in het teken van steeds verdergaande onttakeling. De oude omvang werd ingekrompen tot vierentwintig, ten slotte tot zestien bladzijden en al in 1940 werd het royale formaat van 28.5 cm x 41.5 cm een heel stuk kleiner, waardoor Wij, de inhoud nog daargelaten, Wij al niet meer was. Het papier kreeg een slechtere kwaliteit, de letters een kleiner corps. Kortom: van de duidelijk geprofileerde stijl van voorheen was bij het verschijnen van het laatste nummer op 29 mei 1942 weinig meer over..